073

   De zon staat hoog, een zang te zinderen
stijgt de heldere hemel in, ik hoor
haar stem de woorden strelen, vlinderen
van klank tot klank, klateren in 't  oor,
& ook van huid & haar de geur dringt door.
  Ik verscheur de sluier werkelijkheid,
ontdoe mij schamper van de lelijkheid,
erken slechts zon & zang & zij als bron:
onaangedane gulheid, wreedheid, alheid,
godin bij wie elk einde ooit begon.

063

   Er is een thema, zachte parafrase
op haar speelse ritme, dwingend & stil.
   De Barman draait wat rondjes met glazen:
zelfs de planten weten dat ik haar wil.
   Ik ontdoe haar van haar naam als schil
& strijk haar als een cello teder aan.
   Er tulpt een tepel, spanningsmediaan.
   De zon klimt aan de kim, vogels fluiten,
naakt zijn wij met elkander aangedaan:
al het leed wil nu in ons naar buiten.

061

   Ik ben in haar verhaakt geraakt, heur haar,
haar geur & ik met haar zijnsverslingerd
zintuig in zintuig & woord in gebaar
wentel ik weg, wind door haar wingerd.
   Verborgen code, zin die nu zindert
& glinstert in het donker als gnomon.
   Zij is mijn prisma, zij verklaart mijn bron,
spiegel in mijn spiegel, oog in mijn oog,
zo breekt zij 't licht tot spraak van de zon,
goudregen bladlettert hoog in haar boog.

056

   Mijn hart, alom die pomp & vaste dreun,
& zij zijn samenklank & polyfoon:
   LAIS, haar naam, is van het stuk de deun,
de melodie die stuwt, de ondertoon.
   Een boom in bloei stelt zo de zon tentoon.
   Haar lijf is aarzeling, haar sluikse haar,
ik maak haar zichtbaar met een weids gebaar
& stip het rood aan van haar lachemond:
zij is idool, mijn licht waarin ik staar, 
& ook een aarden huis, mijn thuis, de grond.

046

   Er komt een man, hij brengt ons het verhaal
dat vrij triest is, hij staart naar zijn voeten,
stamelt fel, kent ook niet zo goed onze taal.
   Hij zegt (echt) dat niemand hoeft te boeten,
dat alles goed is, niets nog hoeft te moeten.
   Zij kijkt heel even op, niet echt in dank,
zij hoort die dingen liever van de bank.
   Er is dan lang een wezenlijke stilte,
woorden vallen om tot echo's van klank.
   Zij ziet de zon, & overal haar kilte.

042

   De nacht sluit aan de nacht, geen licht komt vrij.
   De dag is niets, aan duisternis wat braam.
   's Avonds al haar lijf verschijnt aan mij:
zij danst daarbuiten in een donker raam,
ze zingt er zacht & fluistert zwoel mijn naam.
   Haar ogen staan fel, de vuren branden klaar,
heur haar is van vergeten zon gebaar,
haar handen strelen manestralen daar.
   Als ik spring dan zijn wij weer een paar.
   Ik zal dat venster beter sluiten maar.

037

   Er is misschien een raamverhaal, een zijn
waarin haar lichaam vast staat als een feit,
beweging in Platoons verband, een schijn
waardoor men zin kan zien, die zeldzaamheid,
dat woord & daad nog rijmen in de tijd?
  Al brandt in mij de wellust van de zon,
zo'n verhaal stuikt in nog vóór 't begon.
  Maar kom ik t'rug als rups in haar cocon,
die zich tot vlinder in haar hoofd ontspon:
ongehoord gefladder op de Helicon.