77

Ik zie mij zwemmen gevangen in mijn
zwemmen, mijn lijf een bundel baleinen:
het blauw krijgt het roze moeiteloos klein
& meewarig als woorden dolfijnen
met gebaren van vin redden mij.
   Tot zout droogt de zee de zon op mijn huid
& zie bij scheepsflard, maan & meeuwgeluid
vochtige dijen dansen & vormen
mijn willoosheid om tot vaststaand besluit:
in haar land blijf ik vrij van uw stormen.

024

   Zij was een zee waarin ik schrijven kon,
& zij ging weg terwijl ik reeds beschreef
hoe letters krioelden stom in de zon,
hoe alles zinloos rottend achterbleef
& zij verdween terwijl ik haar beschreef.
   Het is eenvoudig, mijn gevangenis:
herinnering aan wat niet langer is.
   Dagelijks gaan alle cellen open
ik schik mij in de cel van het gemis.
   Het komt wel, men hoeft niet meer te hopen. 

002

   De zee, haar golven vlak, verstijft een tel,
De lijn is recht, einde aan het deinen:
als op een foto wil ik schuilen wel.
   Mijn wezen zoekt verlossing van het zijn &
toch fataal vertakt sta ik te dreinen
om herhaalbaarheid, wil meer van heden
dan groots straks het zicht op dood verleden.
  Plots glijdt zij binnen in mijn zinnenweb,
levenswarmte stroomt door stramme leden,
hoe stil het witte uur dat ik dan eeuwig heb!