77

Ik zie mij zwemmen gevangen in mijn
zwemmen, mijn lijf een bundel baleinen:
het blauw krijgt het roze moeiteloos klein
& meewarig als woorden dolfijnen
met gebaren van vin redden mij.
   Tot zout droogt de zee de zon op mijn huid
& zie bij scheepsflard, maan & meeuwgeluid
vochtige dijen dansen & vormen
mijn willoosheid om tot vaststaand besluit:
in haar land blijf ik vrij van uw stormen.

064

   Er is iets van haar in alle vrouwen
dus iedereen kent iets van wat ik wil.
   Als stof waarvan wij beelden bouwen
is zij van alle werelden de spil.
   Onzegbaar staat zij in mijn woorden stil:
haar ogenblik is as van het heelal,
de tijd herleid tot een reëel getal.
   Zij brandt in mij & wij, in duizendvoud
verlichten alles als van vuur een bal:
één ogenblik, als licht met licht vertrouwd.

048

  Hoe onvoorzichtig toch, & ondoordacht
dat ik haar liefde wou, het volle niets
dat zij publiekloos ten tonele bracht,
de schouwburg van haar rug, dat bolle iets,
waaraan ik mij mocht spiegelen, het niets
dat niets ziet, gebulder van venijn,
een waterval die steen & gras wou zijn,
een graf, omgeven door wat pijnenschijn.
   Mijn hand is nu schelp, ik hoor mijn zee,
ik zie haar sikkel maar ik buig niet mee.

046

   Er komt een man, hij brengt ons het verhaal
dat vrij triest is, hij staart naar zijn voeten,
stamelt fel, kent ook niet zo goed onze taal.
   Hij zegt (echt) dat niemand hoeft te boeten,
dat alles goed is, niets nog hoeft te moeten.
   Zij kijkt heel even op, niet echt in dank,
zij hoort die dingen liever van de bank.
   Er is dan lang een wezenlijke stilte,
woorden vallen om tot echo's van klank.
   Zij ziet de zon, & overal haar kilte.

029

   Men zegt: het leed gaat weg in ledigheid.
In de stilte is de zucht een donderslag.
   Liefde is een slak op het vlak van tijd
(de toekomst is al haat & schuldbeslag).
   Eerst waren er de handen & een lach.
   Dan likte ik van lippen eeuwigheid.
   Ik gaf haar de bloem onsterfelijkheid.
   De glinsterogen toen ik bij haar lag,
werden uitbetaald in huiselijkheid.
   Toen volgde er noodzakelijk ontslag.

016

   Zij schrijdt met in haar sleep een sterrenbeeld:
klaarheid van achter donkere luchten
onschuld die als bij wet wordt meegedeeld
brug waarop te slaken zijn de zuchten,
idee-fixe dat niemand kan ontvluchten.
   Ik spartel als een ridicule zalm,
mijn vrijheid is een stam met holle galm
& in de stad vol haat & infamie
loop ik recht in de geruchtenwalm.
   Als ik haar zie bega ik blasfemie.

012

   Zij port & roert met stokken in de nacht,
het bed uit wil ze mij & van de kaart
& als zij mij dan raakt, is ‘t onverwacht:
ze schrikt van wat ze heeft geopenbaard.
   Ik ben nochtans als kool haar sop niet waard,
een ptix, als woudgeest eerder minuscuul,
een niks, geen twijgje breekt als ik brul.
   Ach, faling om mij hierheen te sturen: 
mijn woord was op, ik sliep als een crapuul 
toen zij mij vond, een toen dat nu moet duren.