79

NKDEE_Emblemata_mengsel

Het mengsel mens wil van vrijheid blijven
dromen & morrelen daar aan sloten
waar elk ander dier van schrik verstijven
zou, daar duidelijk zijn dood besloten
ligt in waar het in werd opgesloten:
de pure Tijd heeft met de illusie
van het Lot catastrofaal een fusie
aangegaan, besluitend het bedachte,
& zo, voortdurend in die confusie,
verontreinigt Reinheid de gedachten.
Advertenties

075

   Brandend krult het stro naar licht terug,
& tot een bal omvormend valt de traan,
zo krimpen wij tot één ineen, rug tot rug:
er mag geen weg terug van ons bestaan.
   De tongen die in monden overgaan,
de armen die in armen zich vlijen,
dijen die vrijende benedijen
de handen die tot stilstand zijn vergaan.
 Een moment dat nergens kan gedijen
die kramp zijn wij, de wereld uitgegaan.

072

   Ik ben omringd door zinnen lelijkheid,
woorden grauw bouwen mij een cel van spijt,
letters gruwel spellen gruwelijkheid,
dorre klanken snerpen in het rijk Nijd,
schreeuwen uit de schorre keel van onze tijd.
  Boven onze burchten kraaien krijsen:
hoor hoe niets ons nog hieruit kan hijsen,
het hevig duister nijgt fataal naar zwart.
   Onder koude zonnen smelt het ijs &
enkel zij heeft nog het vuur in het hart.

064

   Er is iets van haar in alle vrouwen
dus iedereen kent iets van wat ik wil.
   Als stof waarvan wij beelden bouwen
is zij van alle werelden de spil.
   Onzegbaar staat zij in mijn woorden stil:
haar ogenblik is as van het heelal,
de tijd herleid tot een reëel getal.
   Zij brandt in mij & wij, in duizendvoud
verlichten alles als van vuur een bal:
één ogenblik, als licht met licht vertrouwd.

037

   Er is misschien een raamverhaal, een zijn
waarin haar lichaam vast staat als een feit,
beweging in Platoons verband, een schijn
waardoor men zin kan zien, die zeldzaamheid,
dat woord & daad nog rijmen in de tijd?
  Al brandt in mij de wellust van de zon,
zo'n verhaal stuikt in nog vóór 't begon.
  Maar kom ik t'rug als rups in haar cocon,
die zich tot vlinder in haar hoofd ontspon:
ongehoord gefladder op de Helicon.

035

   Zij blijft fatale code in mijn lijf,
virus, infuus van de betovering,
verlammende: werking, doel, bedrijf.
   Ook mis ik van haar huid de tinteling,
& van haar strelen ook de loutering.
   Daarbuiten is er enkel  ergernis
& binnenin het knagen van gemis.
   Ik wrijf mijn zwart af aan dit lege blad,
laf, onmachtig in mijn verdoemenis:
zij vreet mijn tijd, ik heb haar nooit gehad.

029

   Men zegt: het leed gaat weg in ledigheid.
In de stilte is de zucht een donderslag.
   Liefde is een slak op het vlak van tijd
(de toekomst is al haat & schuldbeslag).
   Eerst waren er de handen & een lach.
   Dan likte ik van lippen eeuwigheid.
   Ik gaf haar de bloem onsterfelijkheid.
   De glinsterogen toen ik bij haar lag,
werden uitbetaald in huiselijkheid.
   Toen volgde er noodzakelijk ontslag.