071

   Dennennaalden in de handen gegooid,
tientallen prikkels, onhoudbare pijn,
grijpen wordt grip, huid tot leder gelooid,
zo begrijp ik haar onbereikbaar zijn.
   Haar lichaam, moe langs mijn stroeve lijn
sluit zich op in een parel naakt bestaan:
O nijd, het trekken van de tijd eraan!
   Alles verdwijnt, vertrekt in hoge vaart,
flitst weg in het donker, & wij vergaan
als wit in wit, van niets een blanco kaart.

067

   Er zijn al catacomben van voltooid,
ik tel het graven af, de geschiedenis
ontplooid, het stutten van gemis, een ooit
Dat gang werd, loop in de gevangenis 
van onze leer, het geloof dat ik mis.
   Of wereldlijk het lijfelijk verband:
de zee voor ons, het brede Noordzeestrand,
zij is een schelp, haar lichaam zachte kalk,
ik treed uit haar & oog zacht in haar hand,
spiraal in de taal, bij haar wordt het balk!

042

   Zij heeft mijn leven met haar zijn verstoord,
mijn daden zijn tot woord & taal vergaan:
ik ben voor haar een voornaamwoord.
   Is dit bestaan niet meer dan ondergaan
wat er ontstaat & dan ten onder gaan?
   Ben ik verkeerd als ik wat leven wil,
met haar erin & warm & zacht & stil?
   Is mijn verlangen, is mijn liefde fout?
   ‘s Nachts brand ik, elke dag is klam & kil:
de pijn blijft vers, de rest van mij wordt oud.

026

   Onze lijven staan als één gespannen,
verlangen breekt het witte ruisen aan,
   zoenen heeft het spreken al verbannen,
wild verbrijzeld is het woord vergaan:
de nacht wil naar een dieper duister gaan.
   Ik klamp haar aan, zij smelt als was in mij,
ik vloei in haar, zij vloeit weerom in mij
& oogverblindend licht gaat alom aan,
van hier komt overal verlossing vrij:
hier is nu klaar de zin van ons bestaan.

020

   Ik wend mij af, & vaag wordt mijn gelaat.
   Niets zal iemand nog verontrusten ooit:
mijn ogen niet die zagen het verraad,
hoe slinks het recht ter lust werd omgeplooid
hoe kwetsbaar hout met goud werd opgetooid.
   Mijn mond niet & het wrange in die hoek
waar het krulde (geluk bloedt uit op doek)
omdat er eendracht was in woord & daad,
intiem verband, de nerf, rug van het boek:
mijn merg. Ach, leegte die ik achterlaat!

018

   Haar mond, haar kijken zo oneindig rond,
het raken van haar arm aan de mijne,
geur van huid waaruit zij zonneklaar ontstond,
haar glijden glorieus, haar lichaamslijnen,
waarin ik als passage wou verdwijnen,
zij, die niets van haar, ik die niets van mij
weerhield, haar ogen hel, haar hemel wij :
die weelde leende ik , & ik betaal -
met eenzaamheid als interest erbij -
sindsdien 't verleden af met dode taal.

016

   Zij schrijdt met in haar sleep een sterrenbeeld:
klaarheid van achter donkere luchten
onschuld die als bij wet wordt meegedeeld
brug waarop te slaken zijn de zuchten,
idee-fixe dat niemand kan ontvluchten.
   Ik spartel als een ridicule zalm,
mijn vrijheid is een stam met holle galm
& in de stad vol haat & infamie
loop ik recht in de geruchtenwalm.
   Als ik haar zie bega ik blasfemie.