064

   Er is iets van haar in alle vrouwen
dus iedereen kent iets van wat ik wil.
   Als stof waarvan wij beelden bouwen
is zij van alle werelden de spil.
   Onzegbaar staat zij in mijn woorden stil:
haar ogenblik is as van het heelal,
de tijd herleid tot een reëel getal.
   Zij brandt in mij & wij, in duizendvoud
verlichten alles als van vuur een bal:
één ogenblik, als licht met licht vertrouwd.

058

   Zoals wij samen lagen toen, zo hoor
ik haar, ritme van haar adem als een lied
dat wil beginnen. Kom & zie & hoor:
een lelie teert op een vijver verdriet,
het lied is van haar & zij is er niet.
   Zo ook is mijn leed er altijd geweest,
het eind is onmisbaar deel van het feest.
Maar de tol op de grond staat hier nu stil:
rond haar draait de wereld zolang jij leest,
zij is de engel die schrijft wat ik wil.

053

   Zie de tranen die in ogen breken,
zie de kras op de puzzel van lippen,
hoor het lied dat in de keel blijft steken,
een kronkel in water, het aanstippen
van een beeld, een lach die blijft ontglippen.
  Ik heb haar altaar gevonden, de plek
die ons tot haar vernauwt, een stek
waar alle talen het spreken laten,
het rustpunt in de ogen van een gek,
stilte die je nooit nog wil verlaten.

041

   Ik jaag op haar door donkere nachten
& zoek in wouden naar een spoor van haar.
Zij, godin in 't diepst van mijn gedachten,
zij wuift & lacht mij weg, een wreed gebaar
want ik wil in dit leven enkel haar:
een ogenblik, wat woorden, zacht & stil.
   Zij is van heel mijn wereld stil de spil
maar nu gemis mijn zijn tot niets bepaalt,
Is al mijn hoop voor wat er komt nihil:
zij is nu daar waar al het zijnde faalt.