072

   Ik ben omringd door zinnen lelijkheid,
woorden grauw bouwen mij een cel van spijt,
letters gruwel spellen gruwelijkheid,
dorre klanken snerpen in het rijk Nijd,
schreeuwen uit de schorre keel van onze tijd.
  Boven onze burchten kraaien krijsen:
hoor hoe niets ons nog hieruit kan hijsen,
het hevig duister nijgt fataal naar zwart.
   Onder koude zonnen smelt het ijs &
enkel zij heeft nog het vuur in het hart.