070

   Zwarte aarde in mijn okeren hand
&, bloedomslotene, git om mij heen,
duister dat mij bepaalt in haar verband,
donkerrood waar licht in grond verdween,
rottend groen, dwalende gestalten, geen
geheugen van haar levenswoekering.
   De naam klonk luid, de echo is gering.
   Enig erts roest in de kramp van mijn hand
alsof van waarde nog herinnering
bestond. Zinloos gebaar, alles wordt zand.

063

   Er is een thema, zachte parafrase
op haar speelse ritme, dwingend & stil.
   De Barman draait wat rondjes met glazen:
zelfs de planten weten dat ik haar wil.
   Ik ontdoe haar van haar naam als schil
& strijk haar als een cello teder aan.
   Er tulpt een tepel, spanningsmediaan.
   De zon klimt aan de kim, vogels fluiten,
naakt zijn wij met elkander aangedaan:
al het leed wil nu in ons naar buiten.