075

   Brandend krult het stro naar licht terug,
& tot een bal omvormend valt de traan,
zo krimpen wij tot één ineen, rug tot rug:
er mag geen weg terug van ons bestaan.
   De tongen die in monden overgaan,
de armen die in armen zich vlijen,
dijen die vrijende benedijen
de handen die tot stilstand zijn vergaan.
 Een moment dat nergens kan gedijen
die kramp zijn wij, de wereld uitgegaan.

064

   Er is iets van haar in alle vrouwen
dus iedereen kent iets van wat ik wil.
   Als stof waarvan wij beelden bouwen
is zij van alle werelden de spil.
   Onzegbaar staat zij in mijn woorden stil:
haar ogenblik is as van het heelal,
de tijd herleid tot een reëel getal.
   Zij brandt in mij & wij, in duizendvoud
verlichten alles als van vuur een bal:
één ogenblik, als licht met licht vertrouwd.

041

   Ik jaag op haar door donkere nachten
& zoek in wouden naar een spoor van haar.
Zij, godin in 't diepst van mijn gedachten,
zij wuift & lacht mij weg, een wreed gebaar
want ik wil in dit leven enkel haar:
een ogenblik, wat woorden, zacht & stil.
   Zij is van heel mijn wereld stil de spil
maar nu gemis mijn zijn tot niets bepaalt,
Is al mijn hoop voor wat er komt nihil:
zij is nu daar waar al het zijnde faalt.