058

   Zoals wij samen lagen toen, zo hoor
ik haar, ritme van haar adem als een lied
dat wil beginnen. Kom & zie & hoor:
een lelie teert op een vijver verdriet,
het lied is van haar & zij is er niet.
   Zo ook is mijn leed er altijd geweest,
het eind is onmisbaar deel van het feest.
Maar de tol op de grond staat hier nu stil:
rond haar draait de wereld zolang jij leest,
zij is de engel die schrijft wat ik wil.

056

   Mijn hart, alom die pomp & vaste dreun,
& zij zijn samenklank & polyfoon:
   LAIS, haar naam, is van het stuk de deun,
de melodie die stuwt, de ondertoon.
   Een boom in bloei stelt zo de zon tentoon.
   Haar lijf is aarzeling, haar sluikse haar,
ik maak haar zichtbaar met een weids gebaar
& stip het rood aan van haar lachemond:
zij is idool, mijn licht waarin ik staar, 
& ook een aarden huis, mijn thuis, de grond.

053

   Zie de tranen die in ogen breken,
zie de kras op de puzzel van lippen,
hoor het lied dat in de keel blijft steken,
een kronkel in water, het aanstippen
van een beeld, een lach die blijft ontglippen.
  Ik heb haar altaar gevonden, de plek
die ons tot haar vernauwt, een stek
waar alle talen het spreken laten,
het rustpunt in de ogen van een gek,
stilte die je nooit nog wil verlaten.