049

   In het rode is er steeds het roze,
het wit waarin dit leven als gegoten zit
omvangrijkheid, wikkels rond het boze,
het diep geborgen ranke van de pit,
het wieken dat in elke schouder zit.
  Ik heb het leven in de hand gehad,
het schone dat zij met de voeten trad,
haar drang naar diepgang, méér: het bot.
   Het ogenblik dat ik de volle tover had,
is uitgesproken als gebrek, mijn lot.

048

  Hoe onvoorzichtig toch, & ondoordacht
dat ik haar liefde wou, het volle niets
dat zij publiekloos ten tonele bracht,
de schouwburg van haar rug, dat bolle iets,
waaraan ik mij mocht spiegelen, het niets
dat niets ziet, gebulder van venijn,
een waterval die steen & gras wou zijn,
een graf, omgeven door wat pijnenschijn.
   Mijn hand is nu schelp, ik hoor mijn zee,
ik zie haar sikkel maar ik buig niet mee.

047

   Kil & blauw spiegelt haar plechtig gebaar
de uitgestreken pracht van water,
de levenloze ruimte achter haar.
   Haar kus verdaagt het einde tot later,
haar strelen is een leeg, gênant theater.
   Haar woorden hoor ik nog, hoor ze krijten,
hoezeer zij in mij wou, het laffe bijten,
berekend verraad, beoefende macht
waar ik mij van niets tot niets mocht splijten,
niets kreeg & niets nog restte van mijn kracht.

046

   Er komt een man, hij brengt ons het verhaal
dat vrij triest is, hij staart naar zijn voeten,
stamelt fel, kent ook niet zo goed onze taal.
   Hij zegt (echt) dat niemand hoeft te boeten,
dat alles goed is, niets nog hoeft te moeten.
   Zij kijkt heel even op, niet echt in dank,
zij hoort die dingen liever van de bank.
   Er is dan lang een wezenlijke stilte,
woorden vallen om tot echo's van klank.
   Zij ziet de zon, & overal haar kilte.

029

   Men zegt: het leed gaat weg in ledigheid.
In de stilte is de zucht een donderslag.
   Liefde is een slak op het vlak van tijd
(de toekomst is al haat & schuldbeslag).
   Eerst waren er de handen & een lach.
   Dan likte ik van lippen eeuwigheid.
   Ik gaf haar de bloem onsterfelijkheid.
   De glinsterogen toen ik bij haar lag,
werden uitbetaald in huiselijkheid.
   Toen volgde er noodzakelijk ontslag.

020

   Ik wend mij af, & vaag wordt mijn gelaat.
   Niets zal iemand nog verontrusten ooit:
mijn ogen niet die zagen het verraad,
hoe slinks het recht ter lust werd omgeplooid
hoe kwetsbaar hout met goud werd opgetooid.
   Mijn mond niet & het wrange in die hoek
waar het krulde (geluk bloedt uit op doek)
omdat er eendracht was in woord & daad,
intiem verband, de nerf, rug van het boek:
mijn merg. Ach, leegte die ik achterlaat!