071

   Dennennaalden in de handen gegooid,
tientallen prikkels, onhoudbare pijn,
grijpen wordt grip, huid tot leder gelooid,
zo begrijp ik haar onbereikbaar zijn.
   Haar lichaam, moe langs mijn stroeve lijn
sluit zich op in een parel naakt bestaan:
O nijd, het trekken van de tijd eraan!
   Alles verdwijnt, vertrekt in hoge vaart,
flitst weg in het donker, & wij vergaan
als wit in wit, van niets een blanco kaart.

062


   'k Zal de zang der liederen herschrijven
& kathedralen bouwen in mijn taal
want enkel zo kan ik bij haar blijven:
zij is in woord & daad mijn ideaal,
zij is mijn maan & spiegelt mijn verhaal.
   In visioenen ga ik door woestijnen,
mijn oase is het deinen van haar dijen,
haar lichaam, mij bekend als hemelpoort,
is nirwana waar ik wil verdwijnen:
zij heeft mij met haar zaligheid bekoord.

056

   Mijn hart, alom die pomp & vaste dreun,
& zij zijn samenklank & polyfoon:
   LAIS, haar naam, is van het stuk de deun,
de melodie die stuwt, de ondertoon.
   Een boom in bloei stelt zo de zon tentoon.
   Haar lijf is aarzeling, haar sluikse haar,
ik maak haar zichtbaar met een weids gebaar
& stip het rood aan van haar lachemond:
zij is idool, mijn licht waarin ik staar, 
& ook een aarden huis, mijn thuis, de grond.

051

   In flitsen zie ik haar, haar licht breekt aan, 
haar klank al is een daveren, gevaar
klinklaar, als een gele bloem die bleef staan,
winterboscentraal een rariteit, staar
op het oog van de wereld, groot misbaar,
echtheidsbrakende klaarte, dodelijk.
 Het verzet is louter verstandelijk
het voorhoofd brandt, het midden laait & zie,
uit schouders armen, uit armen dadelijk
vingers begeren haar:  idolatrie.

026

   Onze lijven staan als één gespannen,
verlangen breekt het witte ruisen aan,
   zoenen heeft het spreken al verbannen,
wild verbrijzeld is het woord vergaan:
de nacht wil naar een dieper duister gaan.
   Ik klamp haar aan, zij smelt als was in mij,
ik vloei in haar, zij vloeit weerom in mij
& oogverblindend licht gaat alom aan,
van hier komt overal verlossing vrij:
hier is nu klaar de zin van ons bestaan.

018

   Haar mond, haar kijken zo oneindig rond,
het raken van haar arm aan de mijne,
geur van huid waaruit zij zonneklaar ontstond,
haar glijden glorieus, haar lichaamslijnen,
waarin ik als passage wou verdwijnen,
zij, die niets van haar, ik die niets van mij
weerhield, haar ogen hel, haar hemel wij :
die weelde leende ik , & ik betaal -
met eenzaamheid als interest erbij -
sindsdien 't verleden af met dode taal.