068

  Wij waren honden wij, woest betogend
met de geur van lente diep in de pels
bloesemregen de stemmen verhogend,
ons lied sacraal maar heel erg onbijbels,
de klauwen vooruit, de liefde rebels.
  Wij zijn gestorven wij, elkaar ontvallen,
Het valse verstomt in 't slijk der wallen.
   Ik doe mijn kleed aan, boete stut mij nog
nu ik mijn lallen voluit laat schallen:
niets kan mij deren, doodgaan doe ik toch.