031

   Ik heb haar schoonheid in mij uitgebreid.
't Is een woud nu, waarin ik kan verdwalen.
   De populatie wordt nog voorbereid,
'n man alleen kan niet zoveel betalen.
   't Is moeilijk ook om het te vertalen,
maar hier is al een klank waarin zij klinkt
(je hoort een vogel ook die heerlijk zingt).
   Ach, misschien is het nog iets voor later,
als zij dit leest, als dit haar binnendringt:
zij, mijn lucht, mijn aarde, vuur & water.

029

   Men zegt: het leed gaat weg in ledigheid.
In de stilte is de zucht een donderslag.
   Liefde is een slak op het vlak van tijd
(de toekomst is al haat & schuldbeslag).
   Eerst waren er de handen & een lach.
   Dan likte ik van lippen eeuwigheid.
   Ik gaf haar de bloem onsterfelijkheid.
   De glinsterogen toen ik bij haar lag,
werden uitbetaald in huiselijkheid.
   Toen volgde er noodzakelijk ontslag.

018

   Haar mond, haar kijken zo oneindig rond,
het raken van haar arm aan de mijne,
geur van huid waaruit zij zonneklaar ontstond,
haar glijden glorieus, haar lichaamslijnen,
waarin ik als passage wou verdwijnen,
zij, die niets van haar, ik die niets van mij
weerhield, haar ogen hel, haar hemel wij :
die weelde leende ik , & ik betaal -
met eenzaamheid als interest erbij -
sindsdien 't verleden af met dode taal.

017

   Geld is ontspoorde reglementering,
bloed op de rails, haarpluk met grijze
smurrie. Welke subsidieregeling?
  Dat boerse weglachen van bewijzen,
nijd in de liesstreek, bezwaren rijzen,
de gelijkserectie verneukt het spijt
(het vuil wil maar niet onder het tapijt)!
   Wie brak het wicht in het holst van de hal,
besefte schuld, wie bordkraste met krijt?
   Haar lijfje trilt, het stamelt 'ja, ik zal'.

015

   De stad is glas. Hoge kerstversiering glanst
in lage etalages. Drie koningen
op junkiebenen strompelen gekopstanst
onder de lens. Blauw. Een meisje wil zingen.
   Er huist verlatenheid in alle dingen:
   Uw staat is leeg, staat borg tegen noodweer
& geld ontsluit uw leegte keer op keer.
   Wij danken u, o soevereine heer
& wij verlangen ook niets anders meer.
   De stad ziet ons & wij de stad niet meer.

012

   Zij port & roert met stokken in de nacht,
het bed uit wil ze mij & van de kaart
& als zij mij dan raakt, is ‘t onverwacht:
ze schrikt van wat ze heeft geopenbaard.
   Ik ben nochtans als kool haar sop niet waard,
een ptix, als woudgeest eerder minuscuul,
een niks, geen twijgje breekt als ik brul.
   Ach, faling om mij hierheen te sturen: 
mijn woord was op, ik sliep als een crapuul 
toen zij mij vond, een toen dat nu moet duren.