073

   De zon staat hoog, een zang te zinderen
stijgt de heldere hemel in, ik hoor
haar stem de woorden strelen, vlinderen
van klank tot klank, klateren in 't  oor,
& ook van huid & haar de geur dringt door.
  Ik verscheur de sluier werkelijkheid,
ontdoe mij schamper van de lelijkheid,
erken slechts zon & zang & zij als bron:
onaangedane gulheid, wreedheid, alheid,
godin bij wie elk einde ooit begon.

070

   Zwarte aarde in mijn okeren hand
&, bloedomslotene, git om mij heen,
duister dat mij bepaalt in haar verband,
donkerrood waar licht in grond verdween,
rottend groen, dwalende gestalten, geen
geheugen van haar levenswoekering.
   De naam klonk luid, de echo is gering.
   Enig erts roest in de kramp van mijn hand
alsof van waarde nog herinnering
bestond. Zinloos gebaar, alles wordt zand.

034

   De kerstboom, getooid met engelenhaar,
is van een hard groen oliederivaat,
3d-geprint idee verwijzend naar
vrede op Gaia, aflaat voor de haat,
een opdracht van mannen in celibaat.
   Op zee drijven lijken, god & zijn brol:
de wibrarevelatie eist haar tol.
   Ik zie het trillen van het spinnewiel
hoe scheef het gaat, het einde van de bol.
  Zelfs de winden vervloeken reeds haar ziel.