075

   Brandend krult het stro naar licht terug,
& tot een bal omvormend valt de traan,
zo krimpen wij tot één ineen, rug tot rug:
er mag geen weg terug van ons bestaan.
   De tongen die in monden overgaan,
de armen die in armen zich vlijen,
dijen die vrijende benedijen
de handen die tot stilstand zijn vergaan.
 Een moment dat nergens kan gedijen
die kramp zijn wij, de wereld uitgegaan.

040

   Hopeloze zuchten ademen wij
omarmd als één uit één mond in & uit.
   De poort is daar, een kwade hond erbij.
   Niemand wil erdoor, niemand wil vooruit.
   Een lichaam rolt dan toch een ander uit.
   Er kwam in ons een einde aan het woord,
de taal verdween, geen stem wordt nog gehoord.
   Niemand wil zo voorgoed de stroom ingaan,
maar ik heb mij in vuur & vlam vermoord.
   Wij tollen om & om, geheel vergaan.

025

   
   Nog eerder schiet de maan los uit haar baan
of brandt de zon in zwarte sintels uit
dan dat dit ogenblik zal overgaan:
ik geef mijn woord als spreuk, een aards besluit
dat in de hemelen haar naam ontsluit,
eindeloze eenheid die niet begint,
onomgevendheid dat aan tijd ontspringt,
liefde die in zichzelf de liefde mint,
& al de ruimte in haar grondtoon dwingt:
Lais is hier, het niets dat alles vindt.

023

   Ik hoef geen einde aan dit zwart, nog niet,
mijn wil is weg, haar lijf is ver van hier,
maar voorts duw ik de woorden van verdriet,
& alle zinnen schijn & loos vertier
de omslag in van het verlangen, sier
op hartsglansbasis, kwarts in het stromen
gestrooid, wij tot stilstand gekomen
verstrengeld in stilte gelinkt als las,
een meer van klankloos elkander dromen. 
   Abrupte coda wij: één toon van glas.