076

Een einde is altijd een nieuw begin.
   Brede golven wind doorlopen de lucht.
   De teder omgekeerde kreet wordt in
een bed van haat tot liefde opgelucht:
het sterven daar, van lijven korte vlucht,
heeft winterdood met lentelust vermoord.
   Ik heb te lang aanzien, te vaak aanhoord:
handen, ogen, droefenis & misbaar.
   Ik sloot met spijt mijn mondeling akkoord:
in elke kus ligt ook een afscheid klaar.

075

   Brandend krult het stro naar licht terug,
& tot een bal omvormend valt de traan,
zo krimpen wij tot één ineen, rug tot rug:
er mag geen weg terug van ons bestaan.
   De tongen die in monden overgaan,
de armen die in armen zich vlijen,
dijen die vrijende benedijen
de handen die tot stilstand zijn vergaan.
 Een moment dat nergens kan gedijen
die kramp zijn wij, de wereld uitgegaan.