77

Ik zie mij zwemmen gevangen in mijn
zwemmen, mijn lijf een bundel baleinen:
het blauw krijgt het roze moeiteloos klein
& meewarig als woorden dolfijnen
met gebaren van vin redden mij.
   Tot zout droogt de zee de zon op mijn huid
& zie bij scheepsflard, maan & meeuwgeluid
vochtige dijen dansen & vormen
mijn willoosheid om tot vaststaand besluit:
in haar land blijf ik vrij van uw stormen.

041

   Ik jaag op haar door donkere nachten
& zoek in wouden naar een spoor van haar.
Zij, godin in 't diepst van mijn gedachten,
zij wuift & lacht mij weg, een wreed gebaar
want ik wil in dit leven enkel haar:
een ogenblik, wat woorden, zacht & stil.
   Zij is van heel mijn wereld stil de spil
maar nu gemis mijn zijn tot niets bepaalt,
Is al mijn hoop voor wat er komt nihil:
zij is nu daar waar al het zijnde faalt.