068

  Wij waren honden wij, woest betogend
met de geur van lente diep in de pels
bloesemregen de stemmen verhogend,
ons lied sacraal maar heel erg onbijbels,
de klauwen vooruit, de liefde rebels.
  Wij zijn gestorven wij, elkaar ontvallen,
Het valse verstomt in 't slijk der wallen.
   Ik doe mijn kleed aan, boete stut mij nog
nu ik mijn lallen voluit laat schallen:
niets kan mij deren, doodgaan doe ik toch.

043

   Alles wat ik wou, zo zacht & ondoordacht
werd koud & hard, realiteit van steen,
afwezigheid die ik niet had verwacht,
koude duisternis waar zij verscheen,
& van haar vele stralen geen, niet één.
  Zij werd een schimmenwemel in mijn hoofd,
gedachtenwaas waarmee ik ben verloofd,
mijn oude trouw aan haar werd spook in mij,
een monster is 't, waaraan ik ben beloofd:
bij ware schoonheid is de dood nabij.

042

   De nacht sluit aan de nacht, geen licht komt vrij.
   De dag is niets, aan duisternis wat braam.
   's Avonds al haar lijf verschijnt aan mij:
zij danst daarbuiten in een donker raam,
ze zingt er zacht & fluistert zwoel mijn naam.
   Haar ogen staan fel, de vuren branden klaar,
heur haar is van vergeten zon gebaar,
haar handen strelen manestralen daar.
   Als ik spring dan zijn wij weer een paar.
   Ik zal dat venster beter sluiten maar.

038

  Er hangt bloed aan mijn glas, ik wou
dat ik elders was, een deftiger persoon,
nummer in de rij, huis & kind & vrouw,
een tuinslang ook & elke maand mijn loon,
& verder niets dan laster, lage hoon.
   Er is geen leven meer, de dood is wet,
iedereen heeft alles in getallen omgezet.
   Zie hoe ik kronkel, vergeefs om haar ween:
ik ben bederf op een hoek van ons bed,
ik woeker in het zwart waar zij verdween.

030

   Mijn dood wordt hier secuur gerapporteerd
waarom,hoe & waar ik uit het leven val,
alles wordt ten gronde geanalyseerd
zo weet men over mij de hoofdzaak al
& rest er niets dat nog verbazen zal.
   Ik lig te branden in een houten huis.
   Ik roep de namen af, geen god is thuis.
   Ik schreeuw LAIS omdat ik ooit in haar begon.
   Ik val uiteen in klanken, beelden, ruis.
   Ik word van ster, een monsterlijke zon.

006

  De kale takken met hun strak gebinte
prikken blind in de letters dichte mist:
er rest ons niets van het beminde,
gans het verleden werd tot wit gewist,
slechts wij herkennen nog wat niemand mist.
  Wij werden traag van zin & zijn ontdaan:
zij werd aanroeping, naam voor onbestaan,
 'wij' werd mijn lijf, een sterfte in de tijd.
  Ik heb al lang mijn ogen toegedaan
Ik zie het wit & wat ik was & spijt.

003

  Ik waak, ik woel door wanen overmand,
& soms heel hoog een lichaam zweeft of zucht,
verbeelde vlam waaraan ik ben ontbrand,
onzichtbaar werd mijn ideaal een vlucht,
het ingebeelde vuur met pijn verlucht.
   Het genot heet plots plezier van zonde,
maar geloof verlost mij geen seconde
& in hun bidden bulkt alleen maar nijd.
   Straks verscheuren mij de eigen honden,
onherkenbaar weefsel zonder tijd.