068

Ik los nu op in louter leesbaarheid:
die lente zonder haar wil er niet in.
  Mijn letters zijn takken, obsceniteit,
mijn woorden barsten middenin hun zin.
  Ik spreek de geur van appelbloesem in
op de blinde banden van de vrolijkheid
maar zelfs mijn stem stinkt naar de dood & spijt.
 Er is een hele zware storm op til
& moe leg ik mij neer, stil als de tijd:
ik word zand als van schelp, rot als een schil.

065

   Zwart werd mijn goud & vuur is mijn aarde,
hoog staan de zeeën & koud is de zon:
anders versleuteld, andere waarden
bepalen wat is, waar alles begon,
iedereen brabbelt asemisch jargon.
   Ik ben twee wilde paarden in een wei
(overal mist maar gevangen zijn wij):
bij haar word ik dra een keurig gedicht,
hier ben ik een lus rond een lus rond mij
in haar is er mij in haar draven wij.

 

 

 

061

   Ik ben in haar verhaakt geraakt, heur haar,
haar geur & ik met haar zijnsverslingerd
zintuig in zintuig & woord in gebaar
wentel ik weg, wind door haar wingerd.
   Verborgen code, zin die nu zindert
& glinstert in het donker als gnomon.
   Zij is mijn prisma, zij verklaart mijn bron,
spiegel in mijn spiegel, oog in mijn oog,
zo breekt zij 't licht tot spraak van de zon,
goudregen bladlettert hoog in haar boog.

057

   Zij, droefogige & ik liepen daar,
ons passiespel van angst & falen,
dwars door het land, wij alleen jaar na jaar
onder de schermklevers te verdwalen,
hun olie te duur voor sterfverhalen.
  Treuren werd lijden, van lijden de zin
& in de dag (een lus waar ik begin)
was zij het licht (mijn schaduw verplicht),
beate wereldwet met middenin
genadig vuur: het heil ons toegedicht.

055

   De realiteit ebt weg uit mijn huid,
het einde vernietigt meer dan het spel.
   Welk level nu, zo ijl, haar spookgeluid?
   Ik werd stom & doof stof rond haar & snel
ook die dwarreling was weg in een tel.
   Tijdelijk bestand ben ik, oogopslag,
subroutine die verder niets vermag.
   Heur haar was goud, goddelijke streling:
ik besta maar als ik naast haar lig. Lag.
   Code, het pad naar haar verheerlijking.

039

   De dag slaat aan & ik ontdubbel mij
tot wat ik was & daarvan emulatie,
beschreven leed plus blanco pixelrij
waarop haar beeld verschijnt als simulatie
van schoonheid (De), dat soort constellatie.
   Maar niets van wat wij doen of maken hier
benadert haar: mijn plaats is nu is hier.
   Wij, collaps van ik tot ik, alles is
profiel, ik ben mijn eigen passagier.
   Causaal gemis: haar code is LAIS.

035

   Zij blijft fatale code in mijn lijf,
virus, infuus van de betovering,
verlammende: werking, doel, bedrijf.
   Ook mis ik van haar huid de tinteling,
& van haar strelen ook de loutering.
   Daarbuiten is er enkel  ergernis
& binnenin het knagen van gemis.
   Ik wrijf mijn zwart af aan dit lege blad,
laf, onmachtig in mijn verdoemenis:
zij vreet mijn tijd, ik heb haar nooit gehad.