070

   Zwarte aarde in mijn okeren hand
&, bloedomslotene, git om mij heen,
duister dat mij bepaalt in haar verband,
donkerrood waar licht in grond verdween,
rottend groen, dwalende gestalten, geen
geheugen van haar levenswoekering.
   De naam klonk luid, de echo is gering.
   Enig erts roest in de kramp van mijn hand
alsof van waarde nog herinnering
bestond. Zinloos gebaar, alles wordt zand.

069

‘clausae tenebris et carcere caelo’
Vergilius, Aeneïs 6, v.734

  In het begin sprak god het einde uit,
apocalyptisch klaar zijn zekerheid:
het is gevolg & ook de oorzaak luidt
gebrek aan ruimte & tekort aan tijd.
   Wat rest is geld dat naar zichzelf verglijdt.
   Bestel ik mij alsnog een dageraad,
ik zie per doorslag wat ik achterlaat.
   Oh kerker van de liefde onderling,
ach thuis vervloekt in blind verspilde haat:
zijn microcosmos ook een wegwerpding.