076

Een einde is altijd een nieuw begin.
   Brede golven wind doorlopen de lucht.
   De teder omgekeerde kreet wordt in
een bed van haat tot liefde opgelucht:
het sterven daar, van lijven korte vlucht,
heeft winterdood met lentelust vermoord.
   Ik heb te lang aanzien, te vaak aanhoord:
handen, ogen, droefenis & misbaar.
   Ik sloot met spijt mijn mondeling akkoord:
in elke kus ligt ook een afscheid klaar.

072

   Ik ben omringd door zinnen lelijkheid,
woorden grauw bouwen mij een cel van spijt,
letters gruwel spellen gruwelijkheid,
dorre klanken snerpen in het rijk Nijd,
schreeuwen uit de schorre keel van onze tijd.
  Boven onze burchten kraaien krijsen:
hoor hoe niets ons nog hieruit kan hijsen,
het hevig duister nijgt fataal naar zwart.
   Onder koude zonnen smelt het ijs &
enkel zij heeft nog het vuur in het hart.

067

   Er zijn al catacomben van voltooid,
ik tel het graven af, de geschiedenis
ontplooid, het stutten van gemis, een ooit
Dat gang werd, loop in de gevangenis 
van onze leer, het geloof dat ik mis.
   Of wereldlijk het lijfelijk verband:
de zee voor ons, het brede Noordzeestrand,
zij is een schelp, haar lichaam zachte kalk,
ik treed uit haar & oog zacht in haar hand,
spiraal in de taal, bij haar wordt het balk!

054

   Van verlangen dol haar lichaam huilt,
haar lippen staan verbeten strak in lijn,
haar woorden houden huis in mij, er schuilt
een demon in dat jurkje van satijn.
   Ik heb geen uitweg meer, dit moet zo zijn:
ik hef de armen hoog, haar huid komt bloot,
het is een hemelpoort waardoor ik stoot.
   Haar vuur is vast, ik beef & brand erin
zij is mijn lot, mijn leven & dood:
ik stamel stil in onze siddering.

052

   Zij is verhelderd tot kristal in mij,
het klare vloeien van de klank tot taal
& bij haar naam in de muziek komt bij
de zekerheid van evenwicht & schaal,
een vraag die openbloeit tot madrigaal.
   Het duistere waartoe ik nu behoor
is bij de zang het antifone koor,
het antwoordt alles dat ook sterven is,
de noodzaak van het leed bij wat ik hoor:
haar lied in mij, haar al dat ik straks mis.

042

   De nacht sluit aan de nacht, geen licht komt vrij.
   De dag is niets, aan duisternis wat braam.
   's Avonds al haar lijf verschijnt aan mij:
zij danst daarbuiten in een donker raam,
ze zingt er zacht & fluistert zwoel mijn naam.
   Haar ogen staan fel, de vuren branden klaar,
heur haar is van vergeten zon gebaar,
haar handen strelen manestralen daar.
   Als ik spring dan zijn wij weer een paar.
   Ik zal dat venster beter sluiten maar.

028

   Ik had het wel gezien. Openbaring
van het niets. Alles weer terug naar af.
   Ik kon haar hand nog zoenen als een ding,
de samenhang der tekenen hangt af
van overvloed, gebrek, van tijd & nood.
   Overal las ik haar (ik zag haar nooit),
de letters dansten als gegeven ooit.
   Haar hals: obsessie, het schelpje licht erin.
Ik knielde, komma treurnis aan het nooit.
Ik zoek nog steeds dat eindeloos begin.