055

   De realiteit ebt weg uit mijn huid,
het einde vernietigt meer dan het spel.
   Welk level nu, zo ijl, haar spookgeluid?
   Ik werd stom & doof stof rond haar & snel
ook die dwarreling was weg in een tel.
   Tijdelijk bestand ben ik, oogopslag,
subroutine die verder niets vermag.
   Heur haar was goud, goddelijke streling:
ik besta maar als ik naast haar lig. Lag.
   Code, het pad naar haar verheerlijking.

039

   De dag slaat aan & ik ontdubbel mij
tot wat ik was & daarvan emulatie,
beschreven leed plus blanco pixelrij
waarop haar beeld verschijnt als simulatie
van schoonheid (De), dat soort constellatie.
   Maar niets van wat wij doen of maken hier
benadert haar: mijn plaats is nu is hier.
   Wij, collaps van ik tot ik, alles is
profiel, ik ben mijn eigen passagier.
   Causaal gemis: haar code is LAIS.

035

   Zij blijft fatale code in mijn lijf,
virus, infuus van de betovering,
verlammende: werking, doel, bedrijf.
   Ook mis ik van haar huid de tinteling,
& van haar strelen ook de loutering.
   Daarbuiten is er enkel  ergernis
& binnenin het knagen van gemis.
   Ik wrijf mijn zwart af aan dit lege blad,
laf, onmachtig in mijn verdoemenis:
zij vreet mijn tijd, ik heb haar nooit gehad.

033

   Haar ogen zijn het wederkerende,
bestemming & verloop van mijn bestaan:
mijn zekerheid, het er om vragende,
mijn fundamentalistische waan,
haar traan die valt, de woorden 'nieuwe maan'.
   Als een standaard heb ik haar opgericht,
ik heb mijn ruimte met haar ingericht,
alles is rond haar hier uitgeschreven:
ik zie, erken slechts haar als enig licht.
   Ik draai mij om, zie hoe leeg het leven!

032

   Ik lees het zonlicht als haar lichaamstaal,
ik word er klein van, menselijk & stil.
  Ik speel het stof & zij is kathedraal,
het licht valt enkel zoals zij dat wil:
ik dwarrel rond, de echo van een gil.
  Het beeld wordt scherp, men ziet een rechte lijn:
zij stoot mij af, om niet meer mij te zijn.
   Ik adem in, verzamel mij tot klei.
   Ik adem uit op ondergronds terrein.
  In de crypte schrijf ik haar naam in mij.

031

   Ik heb haar schoonheid in mij uitgebreid.
't Is een woud nu, waarin ik kan verdwalen.
   De populatie wordt nog voorbereid,
'n man alleen kan niet zoveel betalen.
   't Is moeilijk ook om het te vertalen,
maar hier is al een klank waarin zij klinkt
(je hoort een vogel ook die heerlijk zingt).
   Ach, misschien is het nog iets voor later,
als zij dit leest, als dit haar binnendringt:
zij, mijn lucht, mijn aarde, vuur & water.

030

   Mijn dood wordt hier secuur gerapporteerd
waarom,hoe & waar ik uit het leven val,
alles wordt ten gronde geanalyseerd
zo weet men over mij de hoofdzaak al
& rest er niets dat nog verbazen zal.
   Ik lig te branden in een houten huis.
   Ik roep de namen af, geen god is thuis.
   Ik schreeuw LAIS omdat ik ooit in haar begon.
   Ik val uiteen in klanken, beelden, ruis.
   Ik word van ster, een monsterlijke zon.