070

   Zwarte aarde in mijn okeren hand
&, bloedomslotene, git om mij heen,
duister dat mij bepaalt in haar verband,
donkerrood waar licht in grond verdween,
rottend groen, dwalende gestalten, geen
geheugen van haar levenswoekering.
   De naam klonk luid, de echo is gering.
   Enig erts roest in de kramp van mijn hand
alsof van waarde nog herinnering
bestond. Zinloos gebaar, alles wordt zand.

017

   Geld is ontspoorde reglementering,
bloed op de rails, haarpluk met grijze
smurrie. Welke subsidieregeling?
  Dat boerse weglachen van bewijzen,
nijd in de liesstreek, bezwaren rijzen,
de gelijkserectie verneukt het spijt
(het vuil wil maar niet onder het tapijt)!
   Wie brak het wicht in het holst van de hal,
besefte schuld, wie bordkraste met krijt?
   Haar lijfje trilt, het stamelt 'ja, ik zal'.

015

   De stad is glas. Hoge kerstversiering glanst
in lage etalages. Drie koningen
op junkiebenen strompelen gekopstanst
onder de lens. Blauw. Een meisje wil zingen.
   Er huist verlatenheid in alle dingen:
   Uw staat is leeg, staat borg tegen noodweer
& geld ontsluit uw leegte keer op keer.
   Wij danken u, o soevereine heer
& wij verlangen ook niets anders meer.
   De stad ziet ons & wij de stad niet meer.

011

   Als in marmer geborgen klankgebrek,
sneeuwstilte die geheel het land bedekt,
afwezigheid die alles in haar niets betrekt.
   Hond, kraai, mens, geit, mol, poes: elk dier is vlek
die naar het nachtzwart van de aarde trekt.
   In de vrieskou buiten is er geur van hout
dat binnen heftig brandt als vlammend goud.
   De binnenwet ligt buiten uitgestald
& bindt haar hemel vast aan onze hel.
   Ik zing haar lof verbeten als een skald
& zie: mijn vuur bevriest, mijn ijs vuurt fel.