057

   Zij, droefogige & ik liepen daar,
ons passiespel van angst & falen,
dwars door het land, wij alleen jaar na jaar
onder de schermklevers te verdwalen,
hun olie te duur voor sterfverhalen.
  Treuren werd lijden, van lijden de zin
& in de dag (een lus waar ik begin)
was zij het licht (mijn schaduw verplicht),
beate wereldwet met middenin
genadig vuur: het heil ons toegedicht.

055

   De realiteit ebt weg uit mijn huid,
het einde vernietigt meer dan het spel.
   Welk level nu, zo ijl, haar spookgeluid?
   Ik werd stom & doof stof rond haar & snel
ook die dwarreling was weg in een tel.
   Tijdelijk bestand ben ik, oogopslag,
subroutine die verder niets vermag.
   Heur haar was goud, goddelijke streling:
ik besta maar als ik naast haar lig. Lag.
   Code, het pad naar haar verheerlijking.

053

   Zie de tranen die in ogen breken,
zie de kras op de puzzel van lippen,
hoor het lied dat in de keel blijft steken,
een kronkel in water, het aanstippen
van een beeld, een lach die blijft ontglippen.
  Ik heb haar altaar gevonden, de plek
die ons tot haar vernauwt, een stek
waar alle talen het spreken laten,
het rustpunt in de ogen van een gek,
stilte die je nooit nog wil verlaten.

045

   Stijg nu die volle duizend mijlen hoog,
zie dan de nietigheid van ons verlangen:
hoe groot ben jij? Elk leven is een boog.
  Al het leven is aan zon verhangen,
hoor het licht stralen in de gezangen.
  Hemels lichaam zij, ingelijfd in mij
& ik verdwijn in haar & niets zijn wij,
een trilling in een trillen dat verschijnt
& weer verdwijnt van hier, want niets zijn wij,
& nooit komt aan die klim naar niets een eind.

040

   Hopeloze zuchten ademen wij
omarmd als één uit één mond in & uit.
   De poort is daar, een kwade hond erbij.
   Niemand wil erdoor, niemand wil vooruit.
   Een lichaam rolt dan toch een ander uit.
   Er kwam in ons een einde aan het woord,
de taal verdween, geen stem wordt nog gehoord.
   Niemand wil zo voorgoed de stroom ingaan,
maar ik heb mij in vuur & vlam vermoord.
   Wij tollen om & om, geheel vergaan.

039

   De dag slaat aan & ik ontdubbel mij
tot wat ik was & daarvan emulatie,
beschreven leed plus blanco pixelrij
waarop haar beeld verschijnt als simulatie
van schoonheid (De), dat soort constellatie.
   Maar niets van wat wij doen of maken hier
benadert haar: mijn plaats is nu is hier.
   Wij, collaps van ik tot ik, alles is
profiel, ik ben mijn eigen passagier.
   Causaal gemis: haar code is LAIS.

036

   Ik ben doorgang, zij is gaan. Ik ben niets
dat kolkende is, stof dat neigt naar leven.
Zij is van ons ontstaan, er komt zo iets
tot stand dat alles gaat bewegen, even
ons tot doel verheft, een nieuw gegeven.
  Het lege altaar is getuigenis,
van hoe vergankelijk het leven is:
gruwelsteen, offerkelk, vogel die was
vlucht in de wind, duur & betekenis.
   Geen mens, geen woord komt er nog aan te pas.