79

NKDEE_Emblemata_mengsel

Het mengsel mens wil van vrijheid blijven
dromen & morrelen daar aan sloten
waar elk ander dier van schrik verstijven
zou, daar duidelijk zijn dood besloten
ligt in waar het in werd opgesloten:
de pure Tijd heeft met de illusie
van het Lot catastrofaal een fusie
aangegaan, besluitend het bedachte,
& zo, voortdurend in die confusie,
verontreinigt Reinheid de gedachten.
Advertenties

77

Ik zie mij zwemmen gevangen in mijn
zwemmen, mijn lijf een bundel baleinen:
het blauw krijgt het roze moeiteloos klein
& meewarig als woorden dolfijnen
met gebaren van vin redden mij.
   Tot zout droogt de zee de zon op mijn huid
& zie bij scheepsflard, maan & meeuwgeluid
vochtige dijen dansen & vormen
mijn willoosheid om tot vaststaand besluit:
in haar land blijf ik vrij van uw stormen.

075

   Brandend krult het stro naar licht terug,
& tot een bal omvormend valt de traan,
zo krimpen wij tot één ineen, rug tot rug:
er mag geen weg terug van ons bestaan.
   De tongen die in monden overgaan,
de armen die in armen zich vlijen,
dijen die vrijende benedijen
de handen die tot stilstand zijn vergaan.
 Een moment dat nergens kan gedijen
die kramp zijn wij, de wereld uitgegaan.

073

   De zon staat hoog, een zang te zinderen
stijgt de heldere hemel in, ik hoor
haar stem de woorden strelen, vlinderen
van klank tot klank, klateren in 't  oor,
& ook van huid & haar de geur dringt door.
  Ik verscheur de sluier werkelijkheid,
ontdoe mij schamper van de lelijkheid,
erken slechts zon & zang & zij als bron:
onaangedane gulheid, wreedheid, alheid,
godin bij wie elk einde ooit begon.

065

   Zwart werd mijn goud & vuur is mijn aarde,
hoog staan de zeeën & koud is de zon:
anders versleuteld, andere waarden
bepalen wat is, waar alles begon,
iedereen brabbelt asemisch jargon.
   Ik ben twee wilde paarden in een wei
(overal mist maar gevangen zijn wij):
bij haar word ik dra een keurig gedicht,
hier ben ik een lus rond een lus rond mij
in haar is er mij in haar draven wij.

 

 

 

064

   Er is iets van haar in alle vrouwen
dus iedereen kent iets van wat ik wil.
   Als stof waarvan wij beelden bouwen
is zij van alle werelden de spil.
   Onzegbaar staat zij in mijn woorden stil:
haar ogenblik is as van het heelal,
de tijd herleid tot een reëel getal.
   Zij brandt in mij & wij, in duizendvoud
verlichten alles als van vuur een bal:
één ogenblik, als licht met licht vertrouwd.

058

   Zoals wij samen lagen toen, zo hoor
ik haar, ritme van haar adem als een lied
dat wil beginnen. Kom & zie & hoor:
een lelie teert op een vijver verdriet,
het lied is van haar & zij is er niet.
   Zo ook is mijn leed er altijd geweest,
het eind is onmisbaar deel van het feest.
Maar de tol op de grond staat hier nu stil:
rond haar draait de wereld zolang jij leest,
zij is de engel die schrijft wat ik wil.