066

Het dier spreekhoofd, huig met bloed omwonden,
voor haar buig ik, asklodders in het brein,
zij, die mij de tijd heeft aangebonden,
in haatvuur gebrand tot korrels pijn,
angsvisioenen uitgepuurde schijn
van wat ik in haar droomland moordend was,
slijmrot nu rond een valse vloed van glas
die mij rijst in de uitgezongen keel,
haar lach leep op de spiegel van wat was:
hoofd dat zich uitbraakt als kristal geheel.

063

   Er is een thema, zachte parafrase
op haar speelse ritme, dwingend & stil.
   De Barman draait wat rondjes met glazen:
zelfs de planten weten dat ik haar wil.
   Ik ontdoe haar van haar naam als schil
& strijk haar als een cello teder aan.
   Er tulpt een tepel, spanningsmediaan.
   De zon klimt aan de kim, vogels fluiten,
naakt zijn wij met elkander aangedaan:
al het leed wil nu in ons naar buiten.

062


   'k Zal de zang der liederen herschrijven
& kathedralen bouwen in mijn taal
want enkel zo kan ik bij haar blijven:
zij is in woord & daad mijn ideaal,
zij is mijn maan & spiegelt mijn verhaal.
   In visioenen ga ik door woestijnen,
mijn oase is het deinen van haar dijen,
haar lichaam, mij bekend als hemelpoort,
is nirwana waar ik wil verdwijnen:
zij heeft mij met haar zaligheid bekoord.

061

   Ik ben in haar verhaakt geraakt, heur haar,
haar geur & ik met haar zijnsverslingerd
zintuig in zintuig & woord in gebaar
wentel ik weg, wind door haar wingerd.
   Verborgen code, zin die nu zindert
& glinstert in het donker als gnomon.
   Zij is mijn prisma, zij verklaart mijn bron,
spiegel in mijn spiegel, oog in mijn oog,
zo breekt zij 't licht tot spraak van de zon,
goudregen bladlettert hoog in haar boog.

060

   Ik zoek vergeefs in mijn herinnering
een blije dag, geluk dat zij mij gaf.
   Ik vind slechts nacht na nacht dat dode ding,
mijn oude lust & wil & hoe zij laf
& dwars & dwaas mij enkel zag als straf,
omdat ik aan haar eisen niet voldeed,
omdat zij niets vermocht, & het haar speet,
terwijl ik enkel wou dat zij mij zag,
de wereld die ik voor haar opendeed,
de zon, de kinderen, hun mooie lach.

059

   Ik zag ook u daar in haar weerlicht staan:
stroef gestamel, een kind verzweeg een zucht.
   De trein die u bracht, liet u niet meer gaan,
het moorden gaf de plaats een nare lucht,
de zon verdween, elk woord was harde tucht.
   Als u niet geeft om wat er leeft bij u,
dan bent u niets, een tel, niet meer dan nu.
   Ik heb mijn falen voor u uitgespreid:
mijn angst, mijn woede & mijn haat voor u.
   Zij is nu weg, u zie ik wereldwijd.

056

   Mijn hart, alom die pomp & vaste dreun,
& zij zijn samenklank & polyfoon:
   LAIS, haar naam, is van het stuk de deun,
de melodie die stuwt, de ondertoon.
   Een boom in bloei stelt zo de zon tentoon.
   Haar lijf is aarzeling, haar sluikse haar,
ik maak haar zichtbaar met een weids gebaar
& stip het rood aan van haar lachemond:
zij is idool, mijn licht waarin ik staar, 
& ook een aarden huis, mijn thuis, de grond.