78

Zwervend tast het ik in nergens rond
& nergens is heelal, een alomtrent
& daar waar vroeger nog haar schaduw stond
bij mij, geraak ik verder mij ontwend
omdat ook zij verdween in mij, absent.
   Ik zie nog beelden lijf van haar apart
maar het licht brandt in elk beeld door tot zwart:
het vuur in mij vernietigt de herinnering
& dan beklemt de leegte mij zo hard
dat ik dat branden wil, vernietiging.
Advertenties

074

 

   Onstuimig & jong, verslaafd aan plezier
lustig genietend gevangen was ik.
   Ik ging & ik dacht mijn gang van vertier
& van oog naar lip naar mond ging mijn blik,
toen alles stolde tot één ogenblik:
haar ogen doorboorden de schijn van mijn zijn,
in vlam ik bevroor vol hemelse pijn,
catatonisch mijn lijf, stil als een spil
verbonden met haar, goddelijk geheim,
idool van mijn leven, Al van mijn wil.

071

   Dennennaalden in de handen gegooid,
tientallen prikkels, onhoudbare pijn,
grijpen wordt grip, huid tot leder gelooid,
zo begrijp ik haar onbereikbaar zijn.
   Haar lichaam, moe langs mijn stroeve lijn
sluit zich op in een parel naakt bestaan:
O nijd, het trekken van de tijd eraan!
   Alles verdwijnt, vertrekt in hoge vaart,
flitst weg in het donker, & wij vergaan
als wit in wit, van niets een blanco kaart.

070

   Zwarte aarde in mijn okeren hand
&, bloedomslotene, git om mij heen,
duister dat mij bepaalt in haar verband,
donkerrood waar licht in grond verdween,
rottend groen, dwalende gestalten, geen
geheugen van haar levenswoekering.
   De naam klonk luid, de echo is gering.
   Enig erts roest in de kramp van mijn hand
alsof van waarde nog herinnering
bestond. Zinloos gebaar, alles wordt zand.

068

Ik los nu op in louter leesbaarheid:
die lente zonder haar wil er niet in.
  Mijn letters zijn takken, obsceniteit,
mijn woorden barsten middenin hun zin.
  Ik spreek de geur van appelbloesem in
op de blinde banden van de vrolijkheid
maar zelfs mijn stem stinkt naar de dood & spijt.
 Er is een hele zware storm op til
& moe leg ik mij neer, stil als de tijd:
ik word zand als van schelp, rot als een schil.

068

  Wij waren honden wij, woest betogend
met de geur van lente diep in de pels
bloesemregen de stemmen verhogend,
ons lied sacraal maar heel erg onbijbels,
de klauwen vooruit, de liefde rebels.
  Wij zijn gestorven wij, elkaar ontvallen,
Het valse verstomt in 't slijk der wallen.
   Ik doe mijn kleed aan, boete stut mij nog
nu ik mijn lallen voluit laat schallen:
niets kan mij deren, doodgaan doe ik toch.

067

   Er zijn al catacomben van voltooid,
ik tel het graven af, de geschiedenis
ontplooid, het stutten van gemis, een ooit
Dat gang werd, loop in de gevangenis 
van onze leer, het geloof dat ik mis.
   Of wereldlijk het lijfelijk verband:
de zee voor ons, het brede Noordzeestrand,
zij is een schelp, haar lichaam zachte kalk,
ik treed uit haar & oog zacht in haar hand,
spiraal in de taal, bij haar wordt het balk!