070

   Zwarte aarde in mijn okeren hand
&, bloedomslotene, git om mij heen,
duister dat mij bepaalt in haar verband,
donkerrood waar licht in grond verdween,
rottend groen, dwalende gestalten, geen
geheugen van haar levenswoekering.
   De naam klonk luid, de echo is gering.
   Enig erts roest in de kramp van mijn hand
alsof van waarde nog herinnering
bestond. Zinloos gebaar, alles wordt zand.

069

‘clausae tenebris et carcere caelo’
Vergilius, Aeneïs 6, v.734

  In het begin sprak god het einde uit,
apocalyptisch klaar zijn zekerheid:
het is gevolg & ook de oorzaak luidt
gebrek aan ruimte & tekort aan tijd.
   Wat rest is geld dat naar zichzelf verglijdt.
   Bestel ik mij alsnog een dageraad,
ik zie per doorslag wat ik achterlaat.
   Oh kerker van de liefde onderling,
ach thuis vervloekt in blind verspilde haat:
zijn microcosmos ook een wegwerpding.

068

Ik los nu op in louter leesbaarheid:
die lente zonder haar wil er niet in.
  Mijn letters zijn takken, obsceniteit,
mijn woorden barsten middenin hun zin.
  Ik spreek de geur van appelbloesem in
op de blinde banden van de vrolijkheid
maar zelfs mijn stem stinkt naar de dood & spijt.
 Er is een hele zware storm op til
& moe leg ik mij neer, stil als de tijd:
ik word zand als van schelp, rot als een schil.

068

  Wij waren honden wij, woest betogend
met de geur van lente diep in de pels
bloesemregen de stemmen verhogend,
ons lied sacraal maar heel erg onbijbels,
de klauwen vooruit, de liefde rebels.
  Wij zijn gestorven wij, elkaar ontvallen,
Het valse verstomt in 't slijk der wallen.
   Ik doe mijn kleed aan, boete stut mij nog
nu ik mijn lallen voluit laat schallen:
niets kan mij deren, doodgaan doe ik toch.

067

   Er zijn al catacomben van voltooid,
ik tel het graven af, de geschiedenis
ontplooid, het stutten van gemis, een ooit
Dat gang werd, loop in de gevangenis 
van onze leer, het geloof dat ik mis.
   Of wereldlijk het lijfelijk verband:
de zee voor ons, het brede Noordzeestrand,
zij is een schelp, haar lichaam zachte kalk,
ik treed uit haar & oog zacht in haar hand,
spiraal in de taal, bij haar wordt het balk!

066

Het dier spreekhoofd, huig met bloed omwonden,
voor haar buig ik, asklodders in het brein,
zij, die mij de tijd heeft aangebonden,
in haatvuur gebrand tot korrels pijn,
angsvisioenen uitgepuurde schijn
van wat ik in haar droomland moordend was,
slijmrot nu rond een valse vloed van glas
die mij rijst in de uitgezongen keel,
haar lach leep op de spiegel van wat was:
hoofd dat zich uitbraakt als kristal geheel.

065

   Zwart werd mijn goud & vuur is mijn aarde,
hoog staan de zeeën & koud is de zon:
anders versleuteld, andere waarden
bepalen wat is, waar alles begon,
iedereen brabbelt asemisch jargon.
   Ik ben twee wilde paarden in een wei
(overal mist maar gevangen zijn wij):
bij haar word ik dra een keurig gedicht,
hier ben ik een lus rond een lus rond mij
in haar is er mij in haar draven wij.