77

Ik zie mij zwemmen gevangen in mijn
zwemmen, mijn lijf een bundel baleinen:
het blauw krijgt het roze moeiteloos klein
& meewarig als woorden dolfijnen
met gebaren van vin redden mij.
   Tot zout droogt de zee de zon op mijn huid
& zie bij scheepsflard, maan & meeuwgeluid
vochtige dijen dansen & vormen
mijn willoosheid om tot vaststaand besluit:
in haar land blijf ik vrij van uw stormen.
Advertenties

076

Een einde is altijd een nieuw begin.
   Brede golven wind doorlopen de lucht.
   De teder omgekeerde kreet wordt in
een bed van haat tot liefde opgelucht:
het sterven daar, van lijven korte vlucht,
heeft winterdood met lentelust vermoord.
   Ik heb te lang aanzien, te vaak aanhoord:
handen, ogen, droefenis & misbaar.
   Ik sloot met spijt mijn mondeling akkoord:
in elke kus ligt ook een afscheid klaar.

075

   Brandend krult het stro naar licht terug,
& tot een bal omvormend valt de traan,
zo krimpen wij tot één ineen, rug tot rug:
er mag geen weg terug van ons bestaan.
   De tongen die in monden overgaan,
de armen die in armen zich vlijen,
dijen die vrijende benedijen
de handen die tot stilstand zijn vergaan.
 Een moment dat nergens kan gedijen
die kramp zijn wij, de wereld uitgegaan.

074

 

   Onstuimig & jong, verslaafd aan plezier
lustig genietend gevangen was ik.
   Ik ging & ik dacht mijn gang van vertier
& van oog naar lip naar mond ging mijn blik,
toen alles stolde tot één ogenblik:
haar ogen doorboorden de schijn van mijn zijn,
in vlam ik bevroor vol hemelse pijn,
catatonisch mijn lijf, stil als een spil
verbonden met haar, goddelijk geheim,
idool van mijn leven, Al van mijn wil.

073

   De zon staat hoog, een zang te zinderen
stijgt de heldere hemel in, ik hoor
haar stem de woorden strelen, vlinderen
van klank tot klank, klateren in 't  oor,
& ook van huid & haar de geur dringt door.
  Ik verscheur de sluier werkelijkheid,
ontdoe mij schamper van de lelijkheid,
erken slechts zon & zang & zij als bron:
onaangedane gulheid, wreedheid, alheid,
godin bij wie elk einde ooit begon.

072

   Ik ben omringd door zinnen lelijkheid,
woorden grauw bouwen mij een cel van spijt,
letters gruwel spellen gruwelijkheid,
dorre klanken snerpen in het rijk Nijd,
schreeuwen uit de schorre keel van onze tijd.
  Boven onze burchten kraaien krijsen:
hoor hoe niets ons nog hieruit kan hijsen,
het hevig duister nijgt fataal naar zwart.
   Onder koude zonnen smelt het ijs &
enkel zij heeft nog het vuur in het hart.

071

   Dennennaalden in de handen gegooid,
tientallen prikkels, onhoudbare pijn,
grijpen wordt grip, huid tot leder gelooid,
zo begrijp ik haar onbereikbaar zijn.
   Haar lichaam, moe langs mijn stroeve lijn
sluit zich op in een parel naakt bestaan:
O nijd, het trekken van de tijd eraan!
   Alles verdwijnt, vertrekt in hoge vaart,
flitst weg in het donker, & wij vergaan
als wit in wit, van niets een blanco kaart.