27- de adder doodt zichzelf

vipere2

1

Een einde is altijd een nieuw begin.
   Brede golven wind doorlopen de lucht.
   De teder omgekeerde kreet wordt in
een bed van haat tot liefde opgelucht:
het sterven daar, van lijven korte vlucht,
heeft winterdood met lentelust vermoord.
   Ik heb te lang aanzien, te vaak aanhoord:
handen, ogen, droefenis & misbaar.
   Ik sloot met spijt mijn mondeling akkoord:
in elke kus ligt ook een afscheid klaar.

2.

  In het begin sprak god het einde uit,
apocalyptisch klaar zijn zekerheid:
het is gevolg & ook de oorzaak luidt
gebrek aan ruimte & tekort aan tijd.
   Wat rest is geld dat naar zichzelf verglijdt.
   Bestel ik mij alsnog een dageraad,
ik zie per doorslag wat ik achterlaat.
   Oh kerker van de liefde onderling,
ach thuis vervloekt in blind verspilde haat:
de microcosmos ook een wegwerpding.

3.

Het dier spreekhoofd, huig met bloed omwonden,
voor haar buig ik, asklodders in het brein,
zij, die mij de tijd heeft aangebonden,
in haatvuur gebrand tot korrels pijn,
angsvisioenen uitgepuurde schijn
van wat ik in haar droomland moordend was,
slijmrot nu rond een valse vloed van glas
die mij rijst in de uitgezongen keel,
haar lach leep op de spiegel van wat was:
hoofd dat zich uitbraakt als kristal geheel.

5.

   Brandend krult het stro naar licht terug,
& tot een bal omvormend valt de traan,
zo krimpen wij tot één ineen, rug tot rug:
er mag geen weg terug van ons bestaan.
   De tongen die in monden overgaan,
de armen die in armen zich vlijen,
dijen die vrijende benedijen
de handen die tot stilstand zijn vergaan.
 Een moment dat nergens kan gedijen:
die kramp zijn wij, de wereld uitgegaan.
Advertenties