068

Ik los nu op in louter leesbaarheid:
die lente zonder haar wil er niet in.
  Mijn letters zijn takken, obsceniteit,
mijn woorden barsten middenin hun zin.
  Ik spreek de geur van appelbloesem in
op de blinde banden van de vrolijkheid
maar zelfs mijn stem stinkt naar de dood & spijt.
 Er is een hele zware storm op til
& moe leg ik mij neer, stil als de tijd:
ik word zand als van schelp, rot als een schil.