449 dizaines naar de Délie van Maurice Scève

Welkom op

dizaines.wordpress.com

een werksite van dirk vekemans

Hier worden de dizaines die eerder verschenen op vilt.wordpress.com (dirkvekemans.com) geredigeerd en in reeksen ondergebracht. Uiteindelijk dienen hier 49 reeksen van 9 dizaines, een opdracht van acht regels, een inleidende reeks van 5 dizaines en een afsluitende reeks van 3 dizaines te verschijnen, In totaal 449 dizaines dus met een achtregelige opdracht, net zoals in de Délie van Maurice Scève.

De inhoud is eenvoudig: een ‘ik’ richt zich, telkens  in tien verzen van tien lettergrepen, tot de lezer en heeft het over zijn leven in de geldruimte en over zijn obsessie, een vrouw genaamd Laïs. Het werk draagt als titel ook haar naam, LAIS. De nummering van de reeksen of de gedichten afzonderlijk is voorlopig en geen aanduiding van hun uiteindelijke volgorde.

De WordPress “berichten” bevatten de afzonderlijke dizaines en houden de bewerkgeschiedenis bij vanaf hun opname hier.

Het menu-icon bovenaan (de streepjes naast DAPHNE) geeft een overzicht van de beschikbare, al dan niet volledige,  reeksen van 9 dizaines (WordPress “pagina’s”).
De meest recente versie van een afzonderlijk dizaine is echter steeds in de “berichten” hieronder te vinden en wij raden aan de teksten daar te lezen.

Publicatie van (delen van) dit werk elders kan geheel gratis, zonder voorafgaande toelating en wordt, onder de voorwaarden gestipuleerd in onderstaand gelinkte Creative Commons licentie, zelfs erg op prijs gesteld. Gelieve desgevallend wel de auteur hiervan op de hoogte te brengen via deze link: contact.

U kan desgewenst ook een xml-versie van alle toegevoegde tekst op deze site (dizaines.wordpress.com) aanvragen. Gebruik daartoe hetzelfde inlichtingenformulier: contact. Het xml-bestand wordt u dan zo spoedig mogelijk toegezonden op een door u vermeld mailadres.

Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.

Bewaren

79

NKDEE_Emblemata_mengsel

Het mengsel mens wil van vrijheid blijven
dromen & morrelen daar aan sloten
waar elk ander dier van schrik verstijven
zou, daar duidelijk zijn dood besloten
ligt in waar het in werd opgesloten:
de pure Tijd heeft met de illusie
van het Lot catastrofaal een fusie
aangegaan, besluitend het bedachte,
& zo, voortdurend in die confusie,
verontreinigt Reinheid de gedachten.

78

Eindeloos tast het Ik in Nergens rond
& Nergens is het Overal van Haar
& Overal waar ik haar schaduw vond
op mij, verga ik dieper in dat Haar
omdat Zij ook verzinkt als Ik in mij.
   Er zijn nog beelden van een 'haar' apart
maar in elk beeld verbrandt zij snel tot zwart:
het vuur in mij vernietigt de herinnering
dan beklemt de leegte mij zo hard
dat ik het Niets in wil van Vernietiging.

77

Ik zie mij zwemmen gevangen in mijn
zwemmen, mijn lijf een bundel baleinen:
het blauw krijgt mijn roze moeiteloos klein
& meewarig als woorden dolfijnen
met gebaren van vin redden mij.
   Tot zout droogt de zee de zon op mijn huid
& bij scheepsflarden & zeemeeuwgeluid
vochtige dijen dansen & lonken
mijn willoosheid om tot vaststaand besluit:
op dit land blijf ik beter gezonken.

076

Een einde is altijd een nieuw begin.
   Brede golven wind doorlopen de lucht.
   De teder omgekeerde kreet wordt in
een bed van haat tot liefde opgelucht:
het sterven daar, van lijven korte vlucht,
heeft winterdood met lentelust vermoord.
   Ik heb te lang aanzien, te vaak aanhoord:
handen, ogen, droefenis & misbaar.
   Ik sloot met spijt mijn mondeling akkoord:
in elke kus ligt ook een afscheid klaar.

075

   Brandend krult het stro naar licht terug,
& tot een bal omvormend valt de traan,
zo krimpen wij tot één ineen, rug tot rug:
er mag geen weg terug van ons bestaan.
   De tongen die in monden overgaan,
de armen die in armen zich vlijen,
dijen die vrijende benedijen
de handen die tot stilstand zijn vergaan.
 Een moment dat nergens kan gedijen
die kramp zijn wij, de wereld uitgegaan.

074

 

   Onstuimig & jong, verslaafd aan plezier
lustig genietend gevangen was ik.
   Ik ging & ik dacht mijn gang van vertier
& van oog naar lip naar mond ging mijn blik,
toen alles stolde tot één ogenblik:
haar ogen doorboorden de schijn van mijn zijn,
in vlam ik bevroor vol hemelse pijn,
catatonisch mijn lijf, stil als een spil
verbonden met haar, goddelijk geheim,
idool van mijn leven, Al van mijn wil.

073

   De zon staat hoog, een zang te zinderen
stijgt de heldere hemel in, ik hoor
haar stem de woorden strelen, vlinderen
van klank tot klank, klateren in 't  oor,
& ook van huid & haar de geur dringt door.
  Ik verscheur de sluier werkelijkheid,
ontdoe mij schamper van de lelijkheid,
erken slechts zon & zang & zij als bron:
onaangedane gulheid, wreedheid, alheid,
godin bij wie elk einde ooit begon.